Follow by Email

vrijdag 14 februari 2020

Valentijnsflauwekul

Twee Nijlganzen streken neer op het dak van de Nederlandse Hervormde kerk.
Kennelijk hadden ze een speciale plek uitgekozen voor hun date. Ik hoorde ze elkaar het hof maken tot vermaak van een meeuwenstelletje hogerop. De liefde hangt in de lucht deze dagen.
Met veel kabaal kwam er plotseling een derde meeuw aan. Hij vloog een aantal keren rakelings over de bukkende ganzen. Wat dreef hem tot deze actie? Was het zijn dak? Wilde hij er met zijn lief iets van de grond krijgen? Was het gewoon een ouwe zeikerd? Uiteindelijk moest hij het toch opgeven. De Nijlganzen waren voor de duvel niet bang en lieten hun Valentine avontuurtje niet bederven.




woensdag 12 februari 2020

Dans om de totempaal

Ik dacht aan het boek van Emily Brönte toen ik met mijn twee dochters in de storm rond de vuurtoren van Texel liep; de 'Woeste Hoogten' van Texel 

woensdag 5 februari 2020

Piet

De deur van de hoofdingang staat al open en ik loop direct door naar de voordeur. "Ik keek toevallig naar buiten en zag je aankomen." zegt mijn moeder, die in de deuropening staat en ik krijg een dikke pakkerd.
In de woongemeenschap voor ouderen, waar mijn moeder haar eigen zelfstandige woning heeft, gaan het leven en de dood hun gangetje. Hoe het met die-en-die is, is dan ook snel onderwerp van gesprek tijdens de twee pannenkoekjes met kaas en stroop die ze nog over had van gisteren, en de beker karnemelk. Men deelt lief en leed en mijn moeder is één van de weinige krasse knarren van over de tachtig die alles nog op orde heeft. Ze heeft contact met iedereen en helpt naar eigen inzicht waar ze kan en waar ze wil. De controle bij de huisarts is net geweest en de bloeddruk is prima voor iemand van haar leeftijd.
In een spontane actie zit ik dus nu bij haar op de bank. Dat de tijd niet heeft stilgestaan laat het meubilair onverbloemd zien. Pappa lacht me vanaf de muur vriendelijk toe. De foto's van voorbije jaren aan de wand. Ik zie mijzelf als kind en kijk er graag naar.
We drinken thee met een stukje cake erbij en ik vertel over mijn Texelse leven en dat van onze kinderen. Ondertussen krijg ik een bijzettafeltje, een kussentje in de rug, dikke sokken en wat later een plaid over mijn benen. Vanmorgen heeft ze de boodschappen gehaald. "We eten chili con carne." "Lekker,"zeg ik.
Bij het zoete likeurtje met speculaaskruiden krijg ik een schoteltje borrelnootjes.
Iets over zessen gaat mijn moeder naar de keuken om te beginnen met koken. Ik vraag of ik kan helpen, maar weet het antwoord al: "Nee blijf jij maar lekker zitten, ik heb de aardappels al geschild en ik haal even de prei uit de berging, maar eerst even naar de w.c.." Alles onder controle.
Buiten is het koud en nat.
Ineens hoor ik in de verte een ambulance. Het geluid zwelt aan en ik kijk uit het raam. De auto met blauw zwaailicht draait de parkeerplaats voor het ouderencomplex op. "Mamma, hij komt hierheen", roep ik."Oh, voor wie zou dat nu weer zijn? Het is een komen en gaan hier." We kijken op de duistere binnenplaats. Geen beweging. We lopen naar de voordeur en horen de brancard over de galerij van de verdieping rijden. "Het is Piet", zegt mijn moeder ineens, "vel over been, al vierennegentig! Hele lieve man. Hij kon altijd goed met pappa opschieten, maar hij was te zacht. Hij kon op vergaderingen nooit voor zichzelf opkomen." Mijn moeder praat over Piet alsof hij al verleden tijd is. "Vanmiddag kwamen er twee mensen van de thuiszorg naar hem kijken." "Wat zou er aan de hand zijn", vraag ik, maar mijn moeder loopt alweer naar de keuken."Hij is misschien gevallen?" speculeer ik erop los en terwijl ik nog met Piet bezig ben staat mijn moeder voor de inductieplaat om alles in goede banen te leiden. "Hier, roer jij even dit sausje erdoor, daar wordt het lekker dik van, dan maak ik de aardappelpuree." En ze zet voortvarend de staafmixer in de pan met gekookte aardappelen. Zij heeft zo haar eigen ideeën bij de Mexicaanse bonenschotel. "Doe jij de kaaspoeder er maar over en dan de deksel erop." Ze geeft me het zakje geraspte kaas. Ik gehoorzaam braaf. Terwijl de kaas smelt kijk ik uit het zijraam en zie hoe de brancard met Piet in de hel verlichte ambulance geschoven wordt. "Hij zit rechtop, dus hij is nog niet dood," roep ik naar de keuken. "O ja, dat zie je dan natuurlijk," zegt mijn moeder, die er kennelijk nog niet aan gedacht heeft dat je anders in de ambulance gaat als je dood bent dan als je nog leeft. De bel gaat. Het is een bezorgde medebewoonster; of wij weten wat er met Piet is? Helaas is dit niet het geval en mijn moeder vertelt haar vrolijk dat ik helemaal vanaf Texel op bezoek ben en ze begint aan een anekdote over iets wat ik haar vanmiddag vertelde. Ze laat mij het grappige verhaal afmaken, maar ik voel me er, gezien de situatie, ongemakkelijk bij en kap de conversatie op een snelle doch vriendelijke manier af.
Aan tafel wil mijn moeder net aan haar tweede bord chili beginnen als de bel van haar deur voor de tweede keer gaat. Ik hoor even gemompel in de gang. Dan komt ze terug aan tafel: "Je had gelijk, zegt ze, Piet is gevallen in de badkamer, nou die komt niet meer terug. Hij was al zo broos." En ze neemt nog wat appelmoes. Terwijl ik aan de Mona Griesmeelpudding met slagroom zit, zijn mijn gedachten nog steeds bij Piet; ik zie hem in het licht van de lantaarnpaal als de grote vriendelijke reus op de brancard zitten. Het weinige haar licht op op zijn knokige schedeldak, de smalle nek, de oude handen gevouwen op de witte deken.
Met volle buik zitten we even later voor de buis. Gordon heeft plezier met honderdjarigen en ik zie aan mijn moeder dat ze er lol om heeft. Ze schiet constant in de lach om die gekkigheid.
Om half elf is de koek op. Met een kruik tegen mijn koude voeten lig ik op de logeerkamer in het éénpersoons bed. Piet laat me nog steeds niet los.
De volgende morgen, als mijn moeder mij naar de trein wil brengen, komen we twee stokoude dames tegen in de hal. Piet is gisterochtend gevallen in de badkamer en naar de kamer gekropen, waar hij een paar uur later door de mevrouw van de thuiszorg gevonden is. Pas tegen de avond werd kennelijk duidelijk dat het echt niet goed ging met Piet en is hij met de ambulance afgevoerd.


"Gezellig dat je er bent, ik doe even de kaarsjes aan,
normaal eet ik nooit aan de grote tafel"

Hier is iedereen lid van de club van Hendrik Groen

Al struikelend naar het eindpunt

Met enige vertraging rijden we Utrecht Centraal binnen.
Ik stap uit in een chaos van mensen die over het perron hun weg zoeken. Na maanden op Texel stort ik me in de hectiek van de grote stad en enigszins vervreemd geraakt van die dynamische wereld zoek ik een trap die leidt naar de centrale vertrekhal. Tot mijn verbazing heb ik die zo gevonden.
Ik weet van de vorige keer dat als je snel bent je de sprinter naar Bunnik nog kunt halen.
In de haast naar boven stuit ik halverwege de roltrap op een stilstaande vrouw. Ik passeer haar aan de linkerkant. Nog maar net langs deze medereiziger verstap ik me en val languit voor haar voeten met mijn tas in de hand, voorover op de omhooggaande roltraptreden. Het is nu zaak zo snel mogelijk op te krabbelen en gelukkig lukt dat ook vlak voor ik bovenaan ben en de treden weer verdwijnen. Ik stap er beheerst vanaf. Ik voel de vrouw achter me, maar durf niet om te kijken, bang als ik ben om haar hilarische of meewarige blik te aanschouwen en dan ook nog iets zinnigs te moeten zeggen.
Nee, wat een blamage, ik schaam me kapot en maak me rap uit de voeten met maar één doel voor ogen; het halen van de sprinter naar Bunnik. De trein komt net aanrijden. Ik spoed me naar binnen.
Als ik heb plaatsgenomen op het blauwe klapstoeltje gaan de deuren alweer met een sissend geluid dicht. Er komt een vrouw aanrennen, ik schat een jaar of 60, haar ogen puilen uit van vastberadenheid en angst. Ze werpt zich met een sprong tussen de deuren door naar binnen en belandt op haar hakken op de vloer van de trein. We rijden weg. Puffend en hijgend neemt ze plaats op het uitklapzittinkje tegenover mij. Ik steek mijn duim bewonderend en enthousiast omhoog. Ze glimlacht en mompelt iets van;
"Ik sta van mezelf te kijken."
We rijden zwijgend de grote stad uit.
Een foto van hoe de situatie ongeveer was maar dan ander

maandag 20 januari 2020

Een verhaal met een staartje

Natalie van den Berg woont tijdelijk bij ons in de straat in afwachting van de oplevering van haar huis. Eergisteren kwam ze weer een bezoekje brengen aan het museum. "Ik vind het Hert ook heel mooi," zegt ze als we even een praatje maken. Ze heeft hem in de etalage zien liggen tijdens de feestdagen, "maar", zegt ze er meteen bij, "ik mis nog een staartje. Je weet wel, zo'n zacht, wollig staartje", en ze maakt er een vertederend gebaar bij met haar handen, alsof ze het staartje al voelt glijden langs haar wang. Ondertussen lopen we gezamenlijk op naar het beest dat nu achteraan in de expositieruimte zijn plek heeft gevonden.
Ik kijk of Natalie gelijk heeft. Kritiek op je werk moet je altijd serieus nemen. Je kunt er je voordeel mee doen, maar ik ben ook uiterst voorzichtig met tips, want het moet wel het hert van de kunstenaar blijven natuurlijk. Inderdaad, ik zie nu dat je zou kunnen twijfelen aan de nog wat 'kale' achterkant, die daardoor een beetje uit balans is met de voorkant. Een staartje zou dit alles kunnen rechtbreien.
Ik geef Natalie gelijk. "Maar dan moet ik die wel eerst vinden. Wie weet", lach ik, "dat ik ooit nog eens op het Texelse strand loop en denk: verrek daar ligt de staart voor het Hert!"
Als Natalie weg is realiseer ik me dat de sculptuur misschien zonder staart allang verkocht is als ik eindelijk het staartje opgepakt heb uit het zand. Ik laat de staart maar rusten, want ook zonder kan het goed.
De volgende dag duik ik bij Paal 28 de duinen in richting de Slufter. Heerlijk die zon in je gezicht.
Ik loop lekker uit de wind achter de hoge duinenrij.
Links van het drassige pad zie ik ineens in de berm iets wat lijkt op een konijnenstaart.
Ik raap het lichte, soepele bontje op en kan het nog niet helemaal geloven;
het is de staart voor het hert die hier zomaar voor mijn voeten ligt! Verder nergens de resten van het kadaver, alleen het staartje, precies zoals hij moet zijn; zacht, niet te klein, niet te groot.
Thuisgekomen houd ik het pluizige ding bij de kont van het hert; hij is er erg blij mee.