Follow by Email

vrijdag 28 februari 2020

Uit de krochten van de dagelijkse beslommeringen

Mijn hele leven ben ik al nieuwsgierig naar de relaties van beroemde kunstenaars.
Jan en Karina Wolkers, Picasso en Jaqueline, Dali en Gala, Niki de Saint Phalle en Jean Tinguely.
Je zou ook Anton Heyboer met zijn vrouwen hier kunnen noemen, alhoewel ik die vorm van samenleven nooit zelf ambieerde. Remco Campert's bestaan met zijn vrouw Deborah Wolf en Simone de Beauvoir met Jean-Paul Sartre spreken me dan weer meer aan. Lucebert leefde lange tijd in pure armoe met zijn vrouw en kinderen. Dat was voor hen natuurlijk verre van ideaal, maar toch lieten ze zich niet strikken door te kiezen voor een doorsnee burgermansbestaan met meer zekerheden. Lucebert maakte prachtige gedichten, tekeningen en schilderijen die nu als pareltjes onze planeet kleur geven.
Natuurlijk leefden zij ook niet altijd als God in Frankrijk (behalve Jan Wolkers dan misschien op Texel). Verre van dat, maar het gaat mij in hun verhaal om hun visie op het leven als kunstenaar en liefdespartner. En daarin zijn het voor mij allemaal inspirerende voorbeelden.
Een leven in teken van de liefde en de kunst, buiten de gebaande paden, hoe geweldig is dat!
Hoe is het om te kiezen voor zo'n onzeker bestaan, vaak in armoede? Hoe zien je dagen eruit als je niet van 9:00 tot 17:00 uur naar je baas hoeft? Als je alle vrijheid hebt om je eigen leven en liefde  vorm te geven en te vieren?
Door de jaren heen waren de pogingen om mijn eigen leven zo in te richten dat ik ook maar een beetje het gelukzalige gevoel had in de buurt te komen van deze levenskunstenaars vaak frustrerend.
Je bent samen aan het ploeteren om een bestaan van de grond te krijgen, je bent teleurgesteld omdat de dingen niet gaan zoals je hoopte. De sleur doet zijn entree, de situatie is verre van ideaal;
het leven draait om geld, vermoeidheid en desillusie. Je maakt fouten, je probeert het anders en je probeert elkaar daar steeds weer in te vinden.
In zijn dagboeken gaf Jan me een inkijkje in zijn wereld met Karina. Dat was altijd een enorme troost wanneer het leven weer eens niet mee wilde werken en ik in de krochten van de dagelijkse beslommeringen met een partner leefde die hele andere ideeën had over de ideale relatie, of hierin nog zoekende was en niet zeker wist of Karina nu wel zijn grote voorbeeld was.
In die speurtocht kwam hij uit bij de Portugese dichter Fernando Pessoa, een man met vele alter ego's die in de liefde weinig succes had.
De werkelijkheid naar je hand zetten valt dus niet altijd mee. Het is hard werken, maar soms raak je datgene wat je voor ogen hebt heel even aan.



vrijdag 14 februari 2020

Valentijnsflauwekul

Twee Nijlganzen streken neer op het dak van de Nederlandse Hervormde kerk.
Kennelijk hadden ze een speciale plek uitgekozen voor hun date. Ik hoorde ze elkaar het hof maken tot vermaak van een meeuwenstelletje hogerop. De liefde hangt in de lucht deze dagen.
Met veel kabaal kwam er plotseling een derde meeuw aan. Hij vloog een aantal keren rakelings over de bukkende ganzen. Wat dreef hem tot deze actie? Was het zijn dak? Wilde hij er met zijn lief iets van de grond krijgen? Was het gewoon een ouwe zeikerd? Uiteindelijk moest hij het toch opgeven. De Nijlganzen waren voor de duvel niet bang en lieten hun Valentine avontuurtje niet bederven.




woensdag 12 februari 2020

Dans om de totempaal

Ik dacht aan het boek van Emily Brönte toen ik met mijn twee dochters in de storm rond de vuurtoren van Texel liep; de 'Woeste Hoogten' van Texel 

woensdag 5 februari 2020

Piet

De deur van de hoofdingang staat al open en ik loop direct door naar de voordeur. "Ik keek toevallig naar buiten en zag je aankomen." zegt mijn moeder, die in de deuropening staat en ik krijg een dikke pakkerd.
In de woongemeenschap voor ouderen, waar mijn moeder haar eigen zelfstandige woning heeft, gaan het leven en de dood hun gangetje. Hoe het met die-en-die is, is dan ook snel onderwerp van gesprek tijdens de twee pannenkoekjes met kaas en stroop die ze nog over had van gisteren, en de beker karnemelk. Men deelt lief en leed en mijn moeder is één van de weinige krasse knarren van over de tachtig die alles nog op orde heeft. Ze heeft contact met iedereen en helpt naar eigen inzicht waar ze kan en waar ze wil. De controle bij de huisarts is net geweest en de bloeddruk is prima voor iemand van haar leeftijd.
In een spontane actie zit ik dus nu bij haar op de bank. Dat de tijd niet heeft stilgestaan laat het meubilair onverbloemd zien. Pappa lacht me vanaf de muur vriendelijk toe. De foto's van voorbije jaren aan de wand. Ik zie mijzelf als kind en kijk er graag naar.
We drinken thee met een stukje cake erbij en ik vertel over mijn Texelse leven en dat van onze kinderen. Ondertussen krijg ik een bijzettafeltje, een kussentje in de rug, dikke sokken en wat later een plaid over mijn benen. Vanmorgen heeft ze de boodschappen gehaald. "We eten chili con carne." "Lekker,"zeg ik.
Bij het zoete likeurtje met speculaaskruiden krijg ik een schoteltje borrelnootjes.
Iets over zessen gaat mijn moeder naar de keuken om te beginnen met koken. Ik vraag of ik kan helpen, maar weet het antwoord al: "Nee blijf jij maar lekker zitten, ik heb de aardappels al geschild en ik haal even de prei uit de berging, maar eerst even naar de w.c.." Alles onder controle.
Buiten is het koud en nat.
Ineens hoor ik in de verte een ambulance. Het geluid zwelt aan en ik kijk uit het raam. De auto met blauw zwaailicht draait de parkeerplaats voor het ouderencomplex op. "Mamma, hij komt hierheen", roep ik."Oh, voor wie zou dat nu weer zijn? Het is een komen en gaan hier." We kijken op de duistere binnenplaats. Geen beweging. We lopen naar de voordeur en horen de brancard over de galerij van de verdieping rijden. "Het is Piet", zegt mijn moeder ineens, "vel over been, al vierennegentig! Hele lieve man. Hij kon altijd goed met pappa opschieten, maar hij was te zacht. Hij kon op vergaderingen nooit voor zichzelf opkomen." Mijn moeder praat over Piet alsof hij al verleden tijd is. "Vanmiddag kwamen er twee mensen van de thuiszorg naar hem kijken." "Wat zou er aan de hand zijn", vraag ik, maar mijn moeder loopt alweer naar de keuken."Hij is misschien gevallen?" speculeer ik erop los en terwijl ik nog met Piet bezig ben staat mijn moeder voor de inductieplaat om alles in goede banen te leiden. "Hier, roer jij even dit sausje erdoor, daar wordt het lekker dik van, dan maak ik de aardappelpuree." En ze zet voortvarend de staafmixer in de pan met gekookte aardappelen. Zij heeft zo haar eigen ideeën bij de Mexicaanse bonenschotel. "Doe jij de kaaspoeder er maar over en dan de deksel erop." Ze geeft me het zakje geraspte kaas. Ik gehoorzaam braaf. Terwijl de kaas smelt kijk ik uit het zijraam en zie hoe de brancard met Piet in de hel verlichte ambulance geschoven wordt. "Hij zit rechtop, dus hij is nog niet dood," roep ik naar de keuken. "O ja, dat zie je dan natuurlijk," zegt mijn moeder, die er kennelijk nog niet aan gedacht heeft dat je anders in de ambulance gaat als je dood bent dan als je nog leeft. De bel gaat. Het is een bezorgde medebewoonster; of wij weten wat er met Piet is? Helaas is dit niet het geval en mijn moeder vertelt haar vrolijk dat ik helemaal vanaf Texel op bezoek ben en ze begint aan een anekdote over iets wat ik haar vanmiddag vertelde. Ze laat mij het grappige verhaal afmaken, maar ik voel me er, gezien de situatie, ongemakkelijk bij en kap de conversatie op een snelle doch vriendelijke manier af.
Aan tafel wil mijn moeder net aan haar tweede bord chili beginnen als de bel van haar deur voor de tweede keer gaat. Ik hoor even gemompel in de gang. Dan komt ze terug aan tafel: "Je had gelijk, zegt ze, Piet is gevallen in de badkamer, nou die komt niet meer terug. Hij was al zo broos." En ze neemt nog wat appelmoes. Terwijl ik aan de Mona Griesmeelpudding met slagroom zit, zijn mijn gedachten nog steeds bij Piet; ik zie hem in het licht van de lantaarnpaal als de grote vriendelijke reus op de brancard zitten. Het weinige haar licht op op zijn knokige schedeldak, de smalle nek, de oude handen gevouwen op de witte deken.
Met volle buik zitten we even later voor de buis. Gordon heeft plezier met honderdjarigen en ik zie aan mijn moeder dat ze er lol om heeft. Ze schiet constant in de lach om die gekkigheid.
Om half elf is de koek op. Met een kruik tegen mijn koude voeten lig ik op de logeerkamer in het éénpersoons bed. Piet laat me nog steeds niet los.
De volgende morgen, als mijn moeder mij naar de trein wil brengen, komen we twee stokoude dames tegen in de hal. Piet is gisterochtend gevallen in de badkamer en naar de kamer gekropen, waar hij een paar uur later door de mevrouw van de thuiszorg gevonden is. Pas tegen de avond werd kennelijk duidelijk dat het echt niet goed ging met Piet en is hij met de ambulance afgevoerd.


"Gezellig dat je er bent, ik doe even de kaarsjes aan,
normaal eet ik nooit aan de grote tafel"

Hier is iedereen lid van de club van Hendrik Groen

Al struikelend naar het eindpunt

Met enige vertraging rijden we Utrecht Centraal binnen.
Ik stap uit in een chaos van mensen die over het perron hun weg zoeken. Na maanden op Texel stort ik me in de hectiek van de grote stad en enigszins vervreemd geraakt van die dynamische wereld zoek ik een trap die leidt naar de centrale vertrekhal. Tot mijn verbazing heb ik die zo gevonden.
Ik weet van de vorige keer dat als je snel bent je de sprinter naar Bunnik nog kunt halen.
In de haast naar boven stuit ik halverwege de roltrap op een stilstaande vrouw. Ik passeer haar aan de linkerkant. Nog maar net langs deze medereiziger verstap ik me en val languit voor haar voeten met mijn tas in de hand, voorover op de omhooggaande roltraptreden. Het is nu zaak zo snel mogelijk op te krabbelen en gelukkig lukt dat ook vlak voor ik bovenaan ben en de treden weer verdwijnen. Ik stap er beheerst vanaf. Ik voel de vrouw achter me, maar durf niet om te kijken, bang als ik ben om haar hilarische of meewarige blik te aanschouwen en dan ook nog iets zinnigs te moeten zeggen.
Nee, wat een blamage, ik schaam me kapot en maak me rap uit de voeten met maar één doel voor ogen; het halen van de sprinter naar Bunnik. De trein komt net aanrijden. Ik spoed me naar binnen.
Als ik heb plaatsgenomen op het blauwe klapstoeltje gaan de deuren alweer met een sissend geluid dicht. Er komt een vrouw aanrennen, ik schat een jaar of 60, haar ogen puilen uit van vastberadenheid en angst. Ze werpt zich met een sprong tussen de deuren door naar binnen en belandt op haar hakken op de vloer van de trein. We rijden weg. Puffend en hijgend neemt ze plaats op het uitklapzittinkje tegenover mij. Ik steek mijn duim bewonderend en enthousiast omhoog. Ze glimlacht en mompelt iets van;
"Ik sta van mezelf te kijken."
We rijden zwijgend de grote stad uit.
Een foto van hoe de situatie ongeveer was maar dan ander