Zondagmiddag, moederdag. Ik fiets met de wind in de rug naar de Mokbaai op Texel.
Her en der vogelaars met hun enorme kijkers op de schouder. Het is dit weekend weer het jaarlijkse Vogelfestival. Ik probeer te zien waar zij naar kijken, maar zie zo snel geen bijzondere exemplaren op het drooggevallen slik.
Dan rechtsaf, over het geasfalteerde pad tot het eind en parkeer de bakfiets. Linksaf te voet de duinen in. De tegemoetkomende wandelaars zien niet het rijtje Lepelaars in de lucht. En ook niet de honderden kleine, harige rupsjes, die op het pad proberen hun weg te vinden en telkens door de wind weer overnieuw moeten beginnen op hun weg naar... ja waar naartoe eigenlijk?
Ik kom op de enorme uitgestrekte vlakte van De Hors. Grijs en klein zie ik de vuurtoren van Den Helder. Geen mens meer te bekennen. Ik snap het ook wel; er staat een enorme wind en er is hier niets.
Moedig voorwaarts met als doel de branding. Langs de jonge duintjes over de zandvlakte richting het houten geraamte. Terwijl ik stoïcijns immer geradeaus loop waait door de wind de rand van mijn zonnehoed steeds omhoog. Nul beschutting hier. Ik realiseer me dat de branding verder weg is dan ik in eerste instantie dacht. Gekkenwerk dit.
Eindelijk zie ik de witte koppen van de golven stuiven, terwijl de storm erop los beukt. Nog even doorzetten. En daar sta ik dan, na een uurtje ploeteren, en kijk een tijdje over het onstuimig bewegende water. Het zou toch fijn zijn als ik als beloning voor het afzien nu een zeehond of wat zou zien. Maar het is me niet gegund. Ik zet de pas er maar weer in. Langs de branding twee kwallen, maar er valt niets te jutten. Met frisse tegenzin dwars over de kale vlakte begin ik aan de terugweg. Ik hoop onderweg nog op een bot van een mammoet of in ieder geval dan het hielbeentje van een wisent.
Ik buk voor dingen en gooi het weer neer. Ik vind nog een roodbruin steentje in de vorm van een hartje en steek het in de zak.Volle tegenwind.
Waar is in godes naam dat zandpad door de duinen naar mijn fiets ook alweer? Jaren geleden was ik te vroeg de jonge duintjes in gegaan en pas aan het begin van de avond, in de schemering, na vele heuvels op en af te hebben gelopen, kwam ik eindelijk weer op bekend terrein. Daar moet ik nu te allen tijde een stokje voor steken! Ik besluit langs de duinenrij rechtsaf te gaan. Heel in de verte lopen twee mensen, ik zie voetstappen in het zand. De gok pakt goed uit.
Ik sla linksaf en al snel loop ik door het mulle zand tussen de 'bergen' met helmgras op het bekende pad. Ha, daar zijn de rupsjes weer. Straks even op het uitzichtspunt bij het Horsmeertje wat drinken en eten houd ik mezelf voor als de bekende wortel aan de hengel. Ik kom wat mensen met honden tegen. Als ze maar niet op de rupsen trappen, want ze letten nergens op. We groeten elkaar. Gelukkig zijn de viervoeters allemaal aangelijnd, want het is volop broedseizoen. Een kakofonie aan vogelgeluiden all over the place! Zal ik hier maar alvast even een pauzetje inlassen? Neee, nog even doorlopen.
Bij de fiets ga ik het smalle schelpenpaadje in me verheugend op het uitzicht en de versnaperingen. Halverwege het pad hoor ik echter stemmen en zie door het groen dat de plek al bezet is. Ik maak rechtsomkeert. Prachtig is het pad naar rechts zie ik, ik loop er een stuk in. Zo groen, en de gele lis staat op springen in dit moerasachtige gebied.
Als ik even van het pad ga en een heuveltje op klim om daar misschien even te zitten, zie ik op de grond twee tulpen liggen met wit zand eromheen. Zou hier de as van een geliefde zijn uitgestrooid?
Moe ga ik weer terug naar de fiets. Daar blijkt de andere bank inmiddels vrij te zijn. Eindelijk lekker zitten. Terwijl ik het pakje drinken opslubber komt er een ouder echtpaar aan. Ze komen erbij zitten:"Er staat een straffe wind." Ik beaam het en begin aan de cracker met oude kaas. Het kraakt behoorlijk en ik probeer zachtjes te eten om de stilte niet te verstoren. Toch gaan de twee maar weer eens verder. We groeten elkaar. Ik eet de komkommer en de druiven.
Poe, ik voel mijn bovenbenen behoorlijk. Straks niet tegen de wind in naar Den Burg, dat staat vast. Ik fiets het geasfalteerde pad langs de rand van het Horsmeer weer af. Halverwege stap ik af voor twee ganzen met talrijke pullen. Ze zijn totaal niet schuw als ik ze rustig benader. Even later gaan ze zwemmen en vecht ik me met ondersteuning een weg naar Den Hoorn. Sla daar linksaf, want ik besluit linksom te fietsen, in de luwte van de bosrand, om zo op een prettiger manier thuis te kunnen komen. Eerst de Rommelpot nog af. Terwijl fietsers uit de andere richting mij voorbij vliegen trap ik tegen de Noorderwind in. De Rozendijk laat ik al snel achter me. Inderdaad, het scheelt stukken. In een flits zie ik nog dat het huis van Jan Wolkers, waar Karina nu nog woont, bijna niet meer te zien is door al het groen.
Het plan werkt; met de wind schuin in de rug sjees ik de Pontweg af. Goed dat ik niet door de polder ben gegaan. Een enorme omweg, dat wel. Thuisgekomen strompel ik naar binnen en vind de schaal met koekjes van Goossen op tafel. Ze hebben precies de vorm van het steentje dat ik vanmiddag vond.
Wat een prachtige helletocht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.