maandag 24 augustus 2026

De Bollekamer

Zondagmorgen, begin van het weekend. De Museumkamer is weer schoon, de was hangt aan de lijn en het is tijd om de natuur in te gaan. Een blauwe lucht met prachtige witte wolken en een lekker windje. Ik zet een kan met water in de bakfiets en leg er de snoeischaar naast. In ieder geval ga ik naar mijn geadopteerde stukje Texel om bloemen te plukken, onder andere voor het gastenverblijf. Uit eigen tuin een boeketje samenstellen is helaas geen optie meer.

Eenmaal op de Westerweg zie ik een donkergrijze lucht opdoemen boven de Dennen. 
"Mijn was", denk ik meteen. Waar waait dit onheil naar toe? Dan maar snel bloemen plukken en terug? Toch fiets ik eigenwijs een stukje verder dan de bloemenweide en parkeer de fiets bij de ingang van de Bollekamer in de hoop dat de bui zo wel overwaait. Ik ben nog maar net bij de oude bunker of het begint flink te spetteren. 
Vastberaden om nu hoe dan ook de zee te halen loop ik door. Echter ik sla te vroeg linksaf en loop een heel eind terug richting kerkje van Den Hoorn. Inmiddels heb ik de capuchon opgezet. 
Ik keer om en wandel hetzelfde pad weer helemaal terug tot het punt waar het mis ging.
Dan gaat het de goede kant op. Ook met het weer. De donkere wolken breken open en de zon komt tevoorschijn. Ik kijk uit over een paars landschap, waaraan de regendruppels en het licht een magische sfeer geven. Heuveltje op en af en iedere keer als ik 'boven' ben heb ik weer een waanzinnig uitzicht. Bij het woord uitzicht denk ik aan de kleinkinderen, die afgelopen keer op Texel, tijdens fiets- en wandeltochten, het steevast hadden over of er uitzicht was of niet, omdat ze pas de betekenis ervan geleerd hadden. Ik ga ook met hun deze wandeling zeker een keer maken.

Hoe zou het dode-bomen-bosje erbij staan? 
Jaren geleden was dit het uitzicht en genoot ik van de kale stammetjes die als grillige sculpturen uit het drassige landschap staken. Op de laatste overgang ben ik dan ook met stomheid geslagen als ik kijk naar een mooi donkergroen bosje met dicht gebladerte. Nergens dode stompjes. Hoe kan dit na zo'n droge warme zomer?
Langs de rand, in de schaduw van de begroeiing, is het aangenaam koel. Ook heel fijn voor de dieren die er kunnen schuilen. Wat verderop, tussen het lila van de wilde munt en andere gele bloemetjes, staan de uitgebloeide geraamten van de roestbruine zuring.
Zo prachtig allemaal! 


Ik begin aan de klim van het laatste, hoge duin
Op het strand verzamel ik wat aangespoelde zaken

Met een kleine hoeveelheid schitterende rotzooi in 
de tas begin ik aan de terugweg.
De struiken hangen vol bessen en ik eet wat zoete bramen.
Bij de uitgang word ik ook nog getrakteerd op een vogeltje 
dat daar capriolen aan het uithalen is bij het hek. "Een Tapuit", denk ik, louter op intuïtie.
Aanvankelijk was het vogeltje moeilijk te vangen op beeld;
Hij of zij ging op een stroomdraad zitten, gelukkig zonder ernstige gevolgen. Pronkte even op een hoge paal en ving een wit pluisje uit de lucht. 
Uiteindelijk had ik hem dan toch in het vizier, gewoon op de grond.
Met de geplukte bloemen rijd ik weer naar huis.
De was is droog.
Het was inderdaad een Tapuit!
De verzamelde dingen






maandag 10 augustus 2026

Zinderende zomerse zondag

Bloedheet en gort droog is het vandaag tijdens mijn wandeling langs de Geul op Texel. De hei doet nog zijn best paars te kleuren, maar hoger gelegen pollen zijn allemaal roestbruin. Er staat gelukkig nog wel water in de plomp met zowaar een paar flinke kikkers.















Een paar dagen terug kocht ik in de kringloop een Sprinkhaanknuffel. Ik vind hem fantastisch. Wie bedenkt het! En terwijl ik nu langs de Geul loop, geloof het of niet, zie ik er ineens eentje in het echt op een distel zitten. Zo´n grote heb ik nog nooit gezien. Toch best wel een bizar toeval.
Zo was mijn dochter Maite op vakantie in Italie bij kasteel Duino. De plek waar Rilke zijn absolute hoogtepunt in de West Europese poeziegeschiedenis schreef. Geen idee dat ze daar heen zou gaan. Toch kocht ik een week daarvoor het boekje De elegieen van Duino in de kringloop. Ik vond hem tussen de andere gedichtenbundeltjes en op de een of andere manier kon ik hem niet meer loslaten. Rilke, taaie kost, dacht ik nog. Toch nam ik hem mee...














Nog maar een slok water.

Een grote, dode, witte mantelmeeuw hangt ondersteboven als een verstrikte vlieger in de struiken.


Uiteindelijk plof ik in het warme zand op het drukke strand bij Paal 9. Ik worstel me in mijn badpak en neem een frisse duik. Daarna moet dat natte, knellende pak weer snel uit. Insmeren anders verbrand ik levend. Eigenlijk heb ik het daarna meteen alweer warm. B.h. laat ik in de tas en blikje vis en brood eruit. Ik ben zo druk bezig een foto te nemen van het stilleven met blikje vis dat ik niet door heb dat hij scheef staat. Het duurt even voordat ik besef dat de olie over de onderrand van mijn blouse tussen mijn benen lekt tot op de handdoek. Na het heerlijke broodje vis heb ik zin om de drukte achter me te laten. Ik beklim een wel heel steil duin. Halverwege kan ik niet verder, omdat een man met grijze puppy aan de lijn me de weg verspert. Ik maak beleefd een praatje. Het is de derde keer aan het strand voor het hondje, dat bij iedere centimeter heel lang moet snuffelen. Het zand is behoorlijk warm en ook wat later op de volle parkeerplaats kan ik geen koele plek vinden waar ik mijn gevoelige voetzolen neer kan zetten. Onhandig, me vasthoudend aan een motor, lukt het me om sokken en schoenen zandvrij aan te krijgen.
Bij het paviljoen ga ik even kijken naar mijn Scholekster. Hij zweeft er nog net zo als in het begin. Ik vul mijn flesje bij de toiletten en was mijn handen. 



























Met frisse tegenzin begin ik aan de terugweg. De zon brandt er nu nog harder op. 
De sprinkhaan kan ik niet meer vinden, de vliegervogel hangt er nog.

Terug in de straat loopt er voor ons huis een egeltje. Hij gaat regelrecht op het drukke centrum af. Gelukkig houdt een man hem tegen op mijn verzoek. Helaas niet zachtzinnig, Met de schoen schopt hij het diertje min of meer mijn richting op. In mijn badhanddoek til ik het beestje op. Het is de eerste keer dat ik een egel optil, een geweldig gevoel. Wat passanten kijken vertederd. In de tuin gooi ik de krat met lege flessen snel leeg en zet hem erin. Hij drinkt meteen uit het bakje water dat ik haastig voor zijn neus gezet heb. Ik haal snel mijn fototoestel uit mijn tas binnen, zie in de spiegel nog een flits van een totaal rood uitgeslagen gezicht dat op het mijne lijkt, en loop terug. De egel is verdwenen. Verbaasd kijk ik rond. Ik hoor wat ritselen en gelukkig zie ik hem tussen de planten snuffelen. Hij lijkt gezond, is actief, heeft gedronken en is niet mager, dus ik besluit hem maar met rust te laten. Dan ligt hij ineens een paar uur op dezelfde plek en ik begin me zorgen te maken. Maar vlak voor ik besluit dat het beter is om met mijn knallende koppijn het bed op te zoeken zie ik hem rondscharrelen, water drinken en in de schemering verdwijnen.