Zondagmorgen, begin van het weekend. De Museumkamer is weer schoon, de was hangt aan de lijn en het is tijd om de natuur in te gaan. Een blauwe lucht met prachtige witte wolken en een lekker windje. Ik zet een kan met water in de bakfiets en leg er de snoeischaar naast. In ieder geval ga ik naar mijn geadopteerde stukje Texel om bloemen te plukken, onder andere voor het gastenverblijf. Uit eigen tuin een boeketje samenstellen is helaas geen optie meer.
"Mijn was", denk ik meteen. Waar waait dit onheil naar toe? Dan maar snel bloemen plukken en terug? Toch fiets ik eigenwijs een stukje verder dan de bloemenweide en parkeer de fiets bij de ingang van de Bollekamer in de hoop dat de bui zo wel overwaait. Ik ben nog maar net bij de oude bunker of het begint flink te spetteren.
Vastberaden om nu hoe dan ook de zee te halen loop ik door. Echter ik sla te vroeg linksaf en loop een heel eind terug richting kerkje van Den Hoorn. Inmiddels heb ik de capuchon opgezet.
Ik keer om en wandel hetzelfde pad weer helemaal terug tot het punt waar het mis ging.

Dan gaat het de goede kant op. Ook met het weer. De donkere wolken breken open en de zon komt tevoorschijn. Ik kijk uit over een paars landschap, waaraan de regendruppels en het licht een magische sfeer geven. Heuveltje op en af en iedere keer als ik 'boven' ben heb ik weer een waanzinnig uitzicht. Bij het woord uitzicht denk ik aan de kleinkinderen, die afgelopen keer op Texel, tijdens fiets- en wandeltochten, het steevast hadden over of er uitzicht was of niet, omdat ze pas de betekenis ervan geleerd hadden. Ik ga ook met hun deze wandeling zeker een keer maken.
Hoe zou het dode-bomen-bosje erbij staan?

Jaren geleden was dit het uitzicht en genoot ik van de kale stammetjes die als grillige sculpturen uit het drassige landschap staken. Op de laatste overgang ben ik dan ook met stomheid geslagen als ik kijk naar een mooi donkergroen bosje met dicht gebladerte. Nergens dode stompjes. Hoe kan dit na zo'n droge warme zomer?
Langs de rand, in de schaduw van de begroeiing, is het aangenaam koel. Ook heel fijn voor de dieren die er kunnen schuilen. Wat verderop, tussen het lila van de wilde munt en andere gele bloemetjes, staan de uitgebloeide geraamten van de roestbruine zuring.
Zo prachtig allemaal!

Ik begin aan de klim van het laatste, hoge duin
Op het strand verzamel ik wat aangespoelde zaken
Met een kleine hoeveelheid schitterende rotzooi in
de tas begin ik aan de terugweg.
De struiken hangen vol bessen en ik eet wat zoete bramen.
Bij de uitgang word ik ook nog getrakteerd op een vogeltje
dat daar capriolen aan het uithalen is bij het hek. "Een Tapuit", denk ik, louter op intuïtie.
Aanvankelijk was het vogeltje moeilijk te vangen op beeld;
Hij of zij ging op een stroomdraad zitten, gelukkig zonder ernstige gevolgen. Pronkte even op een hoge paal en ving een wit pluisje uit de lucht.
Uiteindelijk had ik hem dan toch in het vizier, gewoon op de grond.
Met de geplukte bloemen rijd ik weer naar huis.
De was is droog.
Het was inderdaad een Tapuit!
De verzamelde dingen

