zondag 5 april 2026

Ewm fietsn

Zondagmiddag. De zon schijnt. Ik fiets kriskras over de Hoge Berg op Texel. Er staat een straffe wind. Heerlijk om zomaar wat te fietsen en dan maar kijken wat je tegenkomt. 
Ondertussen moet ik aan mijn opa denken, van moeders kant; opa Dreteler.
Hij fietste wat af. Ik ken hem niet anders dan dat hij op zijn fiets zat. Toen ik nog een peuter was zat ik voor in het zitje bij mijn oma. Mijn oudste broer moest bij hem achterop. Mijn ouders waren aan het werk en zorgden voor mijn jongste broertje. Zo reden we achter elkaar door de bossen. Langs de kastelen en landerijen, langs sloten en beken en dan gingen we ergens picknicken en dronken limonade uit plastic bekers. Ik herinner me vooral: het groen dat langs me heen flitste en dat ik soms bijna kon aanraken met mijn kleine handjes, dat er weleens een vliegje in iemands oog zat, de zinderende zomerlucht, dat het lekker rook naar de dennen, de loofbomen en de hei. We speelden met stokken in het zand. Ik ontdekte mieren en andere kleine beestjes, zoals torretjes, oorwormen en wespen.
Mijn moeder vertelde me dat opa als huisschilder ook al fietsend door weer en wind met een trap en potten aan het stuur langs boerderijen zwoegde in de verre omtrek. 
Je zou denken dat hij na zijn pensioen wel een keer genoeg had van het trappen, maar fietsen bleef zijn lust en zijn leven. Mijn oma kon het al snel niet meer bijbenen en bleef thuis. Iedere dag legde hij heel wat kilometers af, ook na haar dood. Hij bezocht dan neven en nichten of raakte gewoon ergens aan de praat met deze of gene.
Ook toen ik ouder was hoorde ik hem vaak zeggen: "Ewm fietsn", met zijn Twents diaelect.
Dan gooide hij zijn been over de bagagedrager en met een druppel aan zijn neus en een kromme rug slingerde hij de straat uit. Want slingeren kon hij als de beste. Vooral als hij onderweg zijn zakdoek uit de broekzak probeerde te vissen. Je hield je hart vast. 
Eén keer, toen hij bij mijn ouders een weekje logeerde, ging hij ook ewn fietsn. Hij was na uren nog steeds niet terug. Mijn vader en moeder waren ongerust. Een oude man van het platte land, die nu in het stadse westen uren weg was, dat kon niet goed zijn. Ze gingen in de buurt rondvragen of ze hem gezien hadden. Het schemerde al toen ze tegen een uurtje of 19:00 uur een politieauto voor zagen rijden. De auto stopte en mijn opa stapte uit. Hij was aangehouden op de snelweg. Hij dacht: "Wat een breed fietspad hier." Hij kreeg de wind van voren van mijn ouders. Wat hem bezielde!? Mijn vader haalde later de fiets op bij het bureau.  
87 Jaar was hij toen hij letterlijk omviel met zijn fiets. Hij viel met zijn hoofd op de stoeprand voor zijn eigen huisje en belandde in het ziekenhuis. 
Ik zag hem als 14-jarige met een rechte rug en met een gebroken, scheve neus in de kist liggen.