zondag 31 mei 2026

Van motten en de verbeelding, zondag 31 mei 2026

Al een paar weken vliegen er her en der motjes door de lucht. 
Het zijn kleine stro-achtige vliegjes, die, als ze ergens op zitten, streepjes lijken,
maar als ze vliegen een delta-achtige vorm hebben.
Mooi toch! Zeker, maar wel irritant als ze in je huis zitten. 
's Avonds als ik boven kom en het licht aan doe, zitten ze op de meest verrassende plekken of vliegen er een paar uit onverwachte hoek langs.
Dan ga ik op mottenjacht; gewapend met een elektrische muggenmepper sla ik ze uit de lucht, 
waarna ze knetterend ten onder gaan. In een kwartier heb ik er dan vaak al een stuk of twintig. 
Inmiddels staan er mottenvallen; doosjes met openingen en een lijmstrook erin. De wollen truien en dekens zijn veiliggesteld.
Echter ze blijven maar komen. De grote vraag is: waar zit de brandhaard? 
Eergisteren kwamen mijn man en ik tot de conclusie dat het perzische tapijt in de slaapkamer moest worden afgevoerd, want er zaten kale plekjes in en bij gedegen inspectie zagen we de larven zitten; miniscul kleine, witte wormpjes met een nog kleiner zwart oogje. Buiten was het achtenwintig graden en binnen zo'n dertig. Maar we wilden geen dag langer wachten, want voor je het weet woon je erbij in. 
We verschoven het bed en de kledingkast om het vloerkleed er onder vandaan te krijgen. Met wat sjorren en trekken wisten we de boosdoener uiteindelijk af te voeren. Alles schoongemaakt met een mengsel van schoonmaakazijn en water, laten drogen, en bed en kast weer op zijn plek gezet. 
Na het stofzuigen hadden we een voldaan gevoel. Dit zal ze leren!
We zijn nu twee nachten verder en ze zijn er nog. Daarom ben ik vandaag, helaas wederom een warme dag, het opkamertje gaan uitmesten. Daar vond ik uiteindelijk in een rieten mand mijn zelfgemaakte handpoppen uit een ver verleden. Nader onderzoek wees uit dat er gaatjes in zaten en op de bodem verdachte zaken lagen. Eigenlijk had ik ze bewaard voor als ik ooit misschien nog kleinkinderen zou krijgen. En nu heb ik twee schatjes, die de magische leeftijd van drie en vier jaar hebben bereikt, en ben ik helaas genoodzaakt de poppen weg te gooien. Het stemde me droevig.

Ollie en Piep, de olifant en de muis, waren beroemdheden op de school waar ik les gaf. Beroemder dan ikzelf. De kleuters wisten soms mijn naam niet meer, omdat ik er maar één dag per week was en dan zeiden ze: "Die juf van Ollie en Piep!"
Ook de andere karakters zette ik vaak in, al naar gelang de situatie.
Door middel van de verschillende poppen stimuleer je het empathisch vermogen en kweek je begrip voor elkaars verschillen. Ook de taalontwikkeling wordt er natuurlijk door gestimuleerd. En het probleemoplossend vermogen! Want altijd had er wel een handpop een issue waar hijzelf niet direct een oplossing voor kon bedenken... Alle emoties kwamen voorbij. De poppen boden troost, houvast en vooral ook veel plezier. Het is fijn om even uit je hectische bestaan in een andere wereld rond te dwalen.
De kleuters vertrouwden de poppen vaak hun diepste geheimen toe. Ik nam de kinderen mee in een verhaal, een korte vakantie zal ik maar zeggen, en samen gingen we op reis. We maakten van alles mee en kwamen dan altijd weer veilig thuis.
 
Ik maakte twee versies van Ollie en Piep. De eerste was door veelvuldig gebruik nagenoeg versleten, en de nieuwe. 
Hieronder drie foto's uit de tijd dat de motten nog niet hadden toegeslagen en Ollie en Piep volop in het leven stonden.



















Vanaf de tafel kijken ze me aan. 
Ze zijn uit de tijd ver voordat ik een eigen wereld zou scheppen op Texel in een museum waarin de verbeelding een hoofdrol heeft. 
Niet alleen kinderen kunnen hier op adem komen, maar iedereen die de broodnodige poëzie mist in zijn eigen dagelijkse bestaan. 
 
Aangevroten door de motten hebben mijn handpoppen nu hun beste tijd gehad. 
Ollie is er wel verreweg het slechts aan toe. R.I.P.
 



















 













Epiloog
Dit is eigenlijk een kort pleidooi voor de kunst, de verbeelding, de poëzie! 
'De verbeelding als poëzie om de prozawereld aan te kunnen!' 
Mijn dochter Maite Karssenberg schreef dit in haar onlangs verschenen biografie Dubbelleven,
waarin de hoofdpersoon Geertruida Kapteyn Muysken en haar vriendin Martha van Vloten de poëzie omarmen om de taaiheid van alle dag te lijf te gaan!

dinsdag 12 mei 2026

Een prachtige helletocht

Zondagmiddag, moederdag. Ik fiets met de wind in de rug naar de Mokbaai op Texel.
Her en der vogelaars met hun enorme kijkers op de schouder. Het is dit weekend weer het jaarlijkse Vogelfestival. Ik probeer te zien waar zij naar kijken, maar zie zo snel geen bijzondere exemplaren op het drooggevallen slik.
Dan rechtsaf, over het geasfalteerde pad tot het eind en parkeer de bakfiets. Linksaf te voet de duinen in. De tegemoetkomende wandelaars zien niet het rijtje Lepelaars in de lucht. En ook niet de honderden kleine, harige rupsjes, die op het pad proberen hun weg te vinden en telkens door de wind weer overnieuw moeten beginnen op hun weg naar... ja waar naartoe eigenlijk?
Ik kom op de enorme uitgestrekte vlakte van De Hors. Grijs en klein zie ik de vuurtoren van Den Helder. Geen mens meer te bekennen. Ik snap het ook wel; er staat een enorme wind en er is hier niets.
Moedig voorwaarts met als doel de branding. Langs de jonge duintjes over de zandvlakte richting het houten geraamte. Terwijl ik stoïcijns immer geradeaus loop waait door de wind de rand van mijn zonnehoed steeds omhoog. Nul beschutting hier. Ik realiseer me dat de branding verder weg is dan ik in eerste instantie dacht. Gekkenwerk dit.
Eindelijk zie ik de witte koppen van de golven stuiven, terwijl de storm erop los beukt. Nog even doorzetten. En daar sta ik dan, na een uurtje ploeteren, en kijk een tijdje over het onstuimig bewegende water. Het zou toch fijn zijn als ik als beloning voor het afzien nu een zeehond of wat zou zien. Maar het is me niet gegund. Ik zet de pas er maar weer in. Langs de branding twee kwallen, maar er valt niets te jutten. Met frisse tegenzin dwars over de kale vlakte begin ik aan de terugweg. Ik hoop onderweg nog op een bot van een mammoet of in ieder geval dan het hielbeentje van een wisent. 
Ik buk voor dingen en gooi het weer neer. Ik vind nog een roodbruin steentje in de vorm van een hartje en steek het in de zak.Volle tegenwind. 
Waar is in godes naam dat zandpad door de duinen naar mijn fiets ook alweer? Jaren geleden was ik te vroeg de jonge duintjes in gegaan en pas aan het begin van de avond, in de schemering, na vele heuvels op en af te hebben gelopen, kwam ik eindelijk weer op bekend terrein. Daar moet ik nu te allen tijde een stokje voor steken! Ik besluit langs de duinenrij rechtsaf te gaan. Heel in de verte lopen twee mensen, ik zie voetstappen in het zand. De gok pakt goed uit. 
Ik sla linksaf en al snel loop ik door het mulle zand tussen de 'bergen' met helmgras op het bekende pad. Ha, daar zijn de rupsjes weer. Straks even op het uitzichtspunt bij het Horsmeertje wat drinken en eten houd ik mezelf voor als de bekende wortel aan de hengel. Ik kom wat mensen met honden tegen. Als ze maar niet op de rupsen trappen, want ze letten nergens op. We groeten elkaar. Gelukkig zijn de viervoeters allemaal aangelijnd, want het is volop broedseizoen. Een kakofonie aan vogelgeluiden all over the place! Zal ik hier maar alvast even een pauzetje inlassen? Neee, nog even doorlopen.
Bij de fiets ga ik het smalle schelpenpaadje in me verheugend op het uitzicht en de versnaperingen. Halverwege het pad hoor ik echter stemmen en zie door het groen dat de plek al bezet is. Ik maak rechtsomkeert. Prachtig is het pad naar rechts zie ik, ik loop er een stuk in. Zo groen, en de gele lis staat op springen in dit moerasachtige gebied.
Als ik even van het pad ga en een heuveltje op klim om daar misschien even te zitten, zie ik op de grond twee tulpen liggen met wit zand eromheen. Zou hier de as van een geliefde zijn uitgestrooid?
Moe ga ik weer terug naar de fiets. Daar blijkt de andere bank inmiddels vrij te zijn. Eindelijk lekker zitten. Terwijl ik het pakje drinken opslubber komt er een ouder echtpaar aan. Ze komen erbij zitten:"Er staat een straffe wind." Ik beaam het en begin aan de cracker met oude kaas. Het kraakt behoorlijk en ik probeer zachtjes te eten om de stilte niet te verstoren. Toch gaan de twee maar weer eens verder. We groeten elkaar. Ik eet de komkommer en de druiven. 
Poe, ik voel mijn bovenbenen behoorlijk. Straks niet tegen de wind in naar Den Burg, dat staat vast. Ik fiets het geasfalteerde pad langs de rand van het Horsmeer weer af. Halverwege stap ik af voor twee ganzen met talrijke pullen. Ze zijn totaal niet schuw als ik ze rustig benader. Even later gaan ze zwemmen en vecht ik me met ondersteuning een weg naar Den Hoorn. Sla daar linksaf, want ik besluit linksom te fietsen, in de luwte van de bosrand, om zo op een prettiger manier thuis te kunnen komen. Eerst de Rommelpot nog af. Terwijl fietsers uit de andere richting mij voorbij vliegen trap ik tegen de Noorderwind in. De Rozendijk laat ik al snel achter me. Inderdaad, het scheelt stukken. In een flits zie ik nog dat het huis van Jan Wolkers, waar Karina nu nog woont, bijna niet meer te zien is door al het groen. 
Het plan werkt; met de wind schuin in de rug sjees ik de Pontweg af. Goed dat ik niet door de polder ben gegaan. Een enorme omweg, dat wel. Thuisgekomen strompel ik naar binnen en vind de schaal met koekjes van Goossen op tafel. Ze hebben precies de vorm van het steentje dat ik vanmiddag vond. 
Wat een prachtige helletocht.










 







zondag 5 april 2026

Ewm fietsn

Zondagmiddag. De zon schijnt. Ik fiets kriskras over de Hoge Berg op Texel. Er staat een straffe wind. Heerlijk om zomaar wat te fietsen en dan maar kijken wat je tegenkomt. 
Ondertussen moet ik aan mijn opa denken, van moeders kant; opa Dreteler.
Hij fietste wat af. Ik ken hem niet anders dan dat hij op zijn fiets zat. Toen ik nog een peuter was zat ik voor in het zitje bij mijn oma. Mijn oudste broer moest bij hem achterop. Mijn ouders waren aan het werk en zorgden voor mijn jongste broertje. Zo reden we achter elkaar door de bossen. Langs de kastelen en landerijen, langs sloten en beken en dan gingen we ergens picknicken en dronken limonade uit plastic bekers. Ik herinner me vooral: het groen dat langs me heen flitste en dat ik soms bijna kon aanraken met mijn kleine handjes, dat er weleens een vliegje in iemands oog zat, de zinderende zomerlucht, dat het lekker rook naar de dennen, de loofbomen en de hei. We speelden met stokken in het zand. Ik ontdekte mieren en andere kleine beestjes, zoals torretjes, oorwormen en wespen.
Mijn moeder vertelde me dat opa als huisschilder ook al fietsend door weer en wind met een trap en potten aan het stuur langs boerderijen zwoegde in de verre omtrek. 
Je zou denken dat hij na zijn pensioen wel een keer genoeg had van het trappen, maar fietsen bleef zijn lust en zijn leven. Mijn oma kon het al snel niet meer bijbenen en bleef thuis. Iedere dag legde hij heel wat kilometers af, ook na haar dood. Hij bezocht dan neven en nichten of raakte gewoon ergens aan de praat met deze of gene.
Ook toen ik ouder was hoorde ik hem vaak zeggen: "Ewm fietsn", met zijn Twents diaelect.
Dan gooide hij zijn been over de bagagedrager en met een druppel aan zijn neus en een kromme rug slingerde hij de straat uit. Want slingeren kon hij als de beste. Vooral als hij onderweg zijn zakdoek uit de broekzak probeerde te vissen. Je hield je hart vast. 
Eén keer, toen hij bij mijn ouders een weekje logeerde, ging hij ook ewn fietsn. Hij was na uren nog steeds niet terug. Mijn vader en moeder waren ongerust. Een oude man van het platte land, die nu in het stadse westen uren weg was, dat kon niet goed zijn. Ze gingen in de buurt rondvragen of ze hem gezien hadden. Het schemerde al toen ze tegen een uurtje of 19:00 uur een politieauto voor zagen rijden. De auto stopte en mijn opa stapte uit. Hij was aangehouden op de snelweg. Hij dacht: "Wat een breed fietspad hier." Hij kreeg de wind van voren van mijn ouders. Wat hem bezielde!? Mijn vader haalde later de fiets op bij het bureau.  
87 Jaar was hij toen hij letterlijk omviel met zijn fiets. Hij viel met zijn hoofd op de stoeprand voor zijn eigen huisje en belandde in het ziekenhuis. 
Ik zag hem als 14-jarige met een rechte rug en met een gebroken, scheve neus in de kist liggen.