Follow by Email

zaterdag 12 januari 2019

De ijzeren pin

Er staat een man in de hal van het museum. Hij aarzelt en knikt naar me als hij ziet dat ik hem zie. Ik ben in de keuken als de deur open gaat. Hij strompelt binnen, naar één kant steeds iets dieper hellend dan naar de andere kant. Met de aangepaste okerkleurige schoenen loopt hij kort even langs de verschillende objecten. Al snel wordt duidelijk dat hij zijn verhaal kwijt moet en een waterval van gebeurtenissen, flarden van een voorbije wereld volgen elkaar op. Ik sta hem welwillend te woord al hoef ik niet veel te zeggen. " Dit is toch het pand waar Jan Visser altijd zat? Ja, ik werkte bij de gemeente en dan belde hij mij altijd. Ik ken hem goed. Ja, ik ken iedereen omdat ik altijd met veel mensen te maken had bij de gemeente. Maar nu zijn er al veel weg en is het allemaal anders geworden."
Het gaat ook over zijn huidige woonsituatie, waar hij helemaal niet blij mee is en over de mensen van de thuiszorg: " mensen van de thuiszorg, steeds weer een ander, die van niets weten, en ik zag het meteen al: die kan het niet ... en ik had mijn fiets midden op het pad staan en daar worden ze dan boos over, zulke dingen, da's niets voor mij."Hij schudt zijn hoofd en gaat verder:" Ik woonde vroeger tegenover Woontij in een mooi groot huis met open haard, maar de familie wilde me daar weghebben en nu zit ik hier. Ik heb wel een beperking, maar ik ben er nog niet zo erg aan toe als die anderen daar. Ja, ik ken heel veel mensen, omdat ik jaren bij de gemeente werkte. Toen het gemeentehuis wegging op de Groene Plaats was er geen plek meer..."
Het gaat over die en die, mij onbekende namen, en ik besluit het gesprek een andere wending te geven; hoe het toch zo gekomen is, een ongeluk? Ik dacht aan een verkeersongeluk of net als Sjinkie Knegt bekneld raken tussen een heftruck en een kozijn van de schuurdeur.
Er volgt nog een warrig verhaal, maar ik hou hem uiteindelijk bij de les.
"Ik ging vaak in het park kastanjes rapen, in de herfst," begint hij. "We gooiden dan met stokken in de bomen om ze eruit te krijgen...ook betonijzer staven werden in de boom gegooid. Op een keer riep mijn broer: er valt iets uit de boom! Ik rende weg, maar kennelijk de verkeerde kant op en de stalen pin kwam loodrecht in mijn hoofd, 7 centimeter zat ie erin. Mensen die dichtbij het park woonden hoorden mij schreeuwen en legden mij op een houten kar. Dat mocht natuurlijk helemaal niet, maar er waren toen nog geen auto's. De veerboot vertrok in die tijd vanuit Oudeschild, met kleine bootjes ging dat nog. Ik lag tussen de veewagens. In het ziekenhuis van Den Helder, wat nu het Gemini is, zeiden de artsen na een paar dagen: Dat wordt niks als hij hier blijft en ze stuurden me door naar Leiden. Hier lag ik maanden zonder veel bezoek. Ik was 8 jaar. Het was een hele reis om er te komen en mijn ouders hadden een groot gezin en konden niet zomaar weg. Eén keertje in de week kwamen ze dan. Mijn broer kwam een keer met een zak Engelse drop; dat vergeet je nooit meer."
Ik bekeek de Texelaar aandachtig en dacht te zien dat hij een pruik droeg of een haarstukje. Ook pakte hij steeds opnieuw met zijn rechterarm de veel kleinere linker met misvormde hand vast. Desalniettemin kreeg hij later via de functie van zijn vader een baantje bij de gemeente Texel, waar hij jaren werkte en zodoende iedereen wel kent. 
"Ik ben nu op zoek naar een mooi schilderijtje, want ik had er eentje hangen, maar daar ben ik op uitgekeken." "Schilderijtjes hebben we niet, alleen objecten van aangespoelde spullen", zeg ik.
Nu gaat het gesprek weer alle kanten op en ik besluit dat het beter is er een einde aan te maken. Ik wacht het juiste moment af, maar dat is moeilijk te vinden: "ik wil je niet afkappen, maar ik moet nu weer aan het werk ..." "Ja, ik ga er ook maar weer eens vandoor." Nog even denk ik dat hij gewoon verder gaat met praten, maar hij houdt zich in en loopt naar de deur.
"Het beste!" roep ik. "Ja bedankt, jullie ook."
Figuur met gewicht



Geen opmerkingen:

Een reactie posten