In het Helium House, de voormalige gereformeerde kerk in Den Burg werden op 19 oktober 2025 maar liefst vier nieuwe boeken gepresenteerd van Jan Wolkers. Jan zou vandaag, 26 oktober 2025, honderd jaar geworden zijn. Karina Wolkers, Onno Blom en Maarten van Rossum vertelden in een chronologisch opgebouwde interactie over hoe het leven van Jan verlopen is. Van het opgroeien in een duistere tijd met de beklemming van een streng en gelovig gezin tot een nieuw begin op Texel. Het leven werd lichter toen ze eenmaal op het eiland woonden en Karina en hij creëerden er voor zichzelf en hun twee jongens een waar paradijsje. Maarten vertelde met veel gevoel voor humor enkele anekdotes over hoe hij Jan leerde kennen en over de mega gehaktballen die ze kregen voorgeschoteld waar zijn vrouw bang voor was omdat zij in het begin niet durfde te zeggen dat ze absurd groot waren en een kwart al genoeg was geweest. Karina vertelde liefdevol over Jan, hoe ze elkaar leerden kennen vlak voor hij doorbrak met Kort Amerikaans en alles ineens in een ongelooflijke stroomversnelling raakte. Jan was nooit ingegaan op het aanbod om bijvoorbeeld een jaar lang betaald lezingen te houden hier of daar of naar Amerika te gaan om daar zijn boeken aan de man te brengen, wat ik fijn vond om te horen omdat ik ook in die richting totaal geen ambities zou hebben. Nee, vervolgde ze, hij was bang dat hij dan uit het oog verloor wat hem zo dierbaar was. Dat waar het hem werkelijk om ging: het leven met mij en de kinderen, zijn huis, zijn tuin, het schrijven en schilderen. Dat was wat hij het liefst wilde en dat kwam allemaal samen toen hij naar Texel verhuisde.
Het werd een hartverwarmende middag, veel gelachen. Doordat de boeken van Jan Wolkers mij altijd inspireerden en een steun en toeverlaat waren in barre tijden, was het ook een beetje thuiskomen. In het leven als partner, mamma van twee dochters en juf kroop de burgelijkheid, als je niet oplette, soms tegen de muren op. Maar ik kon het weer glans geven door me af en toe onder te dompelen in de wereld van Jan. Terwijl mijn man en ik probeerden ons geld te verdienen, het gezin draaiende te houden en het met elkaar goed te hebben las ik hoe deze bourgondiër met volle teugen van het leven aan het genieten was in een habitat van kunstzinnige vrijheid, sex, lekker eten en drinken en de natuur. Zo moest het leven zijn dacht ik dan. De schoonheid zien van de dingen, het vormgeven op eigen creatieve wijze en het leven en de liefde vieren. Dan hadden mijn man en ik een goed gesprek en zaten we weer even op de rails. Ik ben, net als Jan, opgegroeid in de benauwde sfeer van het gezin. Je moest gewoon meedraaien, er werd je niets gevraagd en zeker als meisje verwachtte men dat je lief en behulpzaam was en je netjes gedroeg. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Er werd niet met je gepraat, maar tegen je. Je ouders bepaalden en jij moest je daarin schikken. Ik voelde me vaak alleen. Als puber begon ik me tegen de kleinburgelijkheid af te zetten; ik wilde niet meer naar de kerk, zoals mijn oudste broer dit op een dag ook gewoon geweigerd had, en verfde mijn haar rood. Een tijd lang omarmde ik de punkbeweging, tot groot verdriet van mijn ouders. Wat moesten anderen hier wel niet van denken! Ik zocht wanhopig naar wie ik was en wilde zijn binnen de beperkte ruimte van mijn grijze leventje. Ik worstelde me door de schooljaren heen en mijn werk als kleuterleidster voelde als een ongemakkelijke rol binnen een onderwijssysteem dat niet het mijne was. Pas toen ik de dertig allang was gepasseerd kwam ik mezelf ineens tegen, besefte ik, ik ben een kunstenaar! Mijn leven kreeg meer richting en rust, maar partner, mamma en juf zijn én kunst maken was één bordje teveel om in de lucht te houden. Ik besloot, nadat ik met schilderijen één expositie op poten had weten te zetten, de productieve kunstenaarsrol te schrappen. Mijn man solliciteerde voor de grap naar een baan op Texel en nadat de kinderen waren uitgevlogen, staken ook wij voorgoed het Marsdiep over. Er vond al snel een explosie van van creativiteit plaats. Dat jaar, op 19 oktober 2007, overleed Jan.
Een paar weken geleden was mijn moeder bij ons op Texel. Ik hielp haar met het invullen van het vriendenboekje van mijn kleindochter Frida, haar achterkleinkind, want dit was voor een bijna negentigjarige best een lastig klusje. Hobby's? Tja. Beste boek? Muziek? Echter bij de vraag Wat vond je de mooiste film? hoefde ze niet lang na te denken. Tot mijn verbazing zei ze meteen Turks Fruit! Ik vroeg hoezo Turks Fruit en ze vertelde dat haar ouders, mijn opa en oma dus, een keer op bezoek waren. Het was in 1973 en Turks Fruit was pas uit. Ze bedachten om er naartoe te gaan. Ze hadden geen idee wat ze konden verwachten. "Er waren tijdens het kijken van de film veel ongemakkelijke momenten en met rode oortjes liepen we een tijdje later weer naar buiten," giechelde ze. In de auto hing daarna een uitgelaten sfeer. Het was een geslaagde middag. De film had duidelijk iets losgemaakt die dag.
Inmiddels leid ik dan tóch een min of meer gelukkig Wolkeriaans leventje, alhoewel ik nog steeds geen beroemdheid ben en het in de liefde niet verder bracht dan beste maatjes; levenspartners met gescheiden huishoudens in hetzelfde gebouw. De gemene deler, waar we zo lang naar zochten, bleek niet groot genoeg voor een woest gepassioneerd liefdesleven. Het totaal anders omgaan met de werkelijkheid zorgde voor teveel kortsluiting binnen de relatie. Als je alleen al naar ons werk kijkt zie je het verschil. Het duurde even voordat ik dit besefte en kon accepteren.
Op de middag van de boekpresentatie moest ik lang wachten om de twee gekochte dagboeken van Jan te laten signeren. Leuren om een handtekening vind ik een vernederende zaak. Uiteindelijk stond ik toch in de rij, "Voor Maria," zei ik toen ik aan de beurt was. Karina schreef het boven aan de bladzijde. Ook van Onno, die inmiddels aan een flesje Skuumkoppe zat, kreeg ik de naam én een stempel van de welbekende haan van Jan.
Buiten stop ik de boeken in het bijgeleverde papieren zakje en zie Maarten van Rossum onderuitgezakt op de tuinstoel zitten wachten tot hij met Karina en Onno eindelijk kokkels kan gaan eten in een restaurant (ving ik op in het voorbijgaan). "Toch een beetje een vernederende bezigheid, dat vragen om een handtekening," begin ik het gesprek. Dit kan hij uitvoerig beamen, hij heeft het nooit begrepen, maar maakte ook zelf zijn handen eraan vuil. Ik vraag hoe het met hem gaat. "Ik hou niet van opstaan en ver lopen zit er niet meer in. Een rondje Hoge Berg, dan heb je het wel gehad." "Nu ik hier toch sta en me aan het vernederen ben, zou u met mij op de foto willen?" Ik heb hem ooit horen zeggen dat hij selfies maken met fans geen enkel probleem vindt, anders had ik het niet aangedurfd. En ja hoor, hij vind het prima.
Met de twee gesigneerde boeken loop ik wat later door het park over een tapijtje van goudgeel blad. Het waterige herfstlicht schijnt door de al bijna kale bomen.


